Het is een akelige plek. Waarom dan toch een bermmonument?
Share
Onlangs bladerde ik door een oud nummer van de Groene Amsterdammer en stuitte daarbij op een artikel over het gebruik van de openbare ruimte voor persoonlijk verdriet, zoals bijvoorbeeld monumenten voor slachtoffers van zinloos geweld of bermmonumenten voor verkeerslachtoffers (Groene Amsterdammer, 2008, nr. 38).
De auteur (Mariëtte Baarda) was er zeer kritisch over. Zij vond dat zij als toevallige passant ongevraagd werd geconfronteerd met andermans leed en de nare dingen in deze wereld waar ze niet op zat te wachten. Ze vroeg zich af of we verleerd zijn leed een plek binnen onszelf te geven. En als het noodlot ons treft, zo stelde ze, dan zijn we verontwaardigd en gooien we het midden op straat. Een bermmonument is vooral een opgeheven vuist naar de onverschillige buitenwereld.
Het artikel raakte me en niet op een prettige manier. Ook wij hebben een bermmonument opgericht op de plek waar Niels is aangereden. Zijn wij daarmee ook weg te zetten als rouwexhibionisten, zoals de auteur mensen die gedenkplekken inrichten in de openbare ruimte noemt? Een woord met een negatievere lading kan ik me niet voorstellen. Is dat wat wij doen met ons bermmonument? Ons verdriet publiekelijk ten toon spreiden? Andere mensen daarmee belasten?
Het zette me aan het denken. Na de dood van Niels hebben we impulsief bloemen gelegd op de plek waar hij was aangereden. De beslissing om er iets meer permanents van te maken kwam later. De eerste keer dat we het op zijn geboortedag zonder hem moesten doen hebben we een houten bloembak neergezet, beschilderd met een gestileerd plaatje van een wielrenpeloton en zijn naam en geboorte- en sterfdatum.
Elk jaar gaan we er een paar keer naar toe. Vlak voor zijn sterfdag in augustus, vlak voor zijn geboortedag in december en nog een keer in het voorjaar. We hebben inmiddels geleerd welke planten het goed doen in de bak en vullen de bak steeds aan met wat er dat seizoen voorradig is om de bak kleur te geven, lavendel in de zomer, kerstroos in de winter en viooltjes in het voorjaar.
We gaan er niet heen omdat we er behoefte aan hebben om op die plek om Niels te rouwen. Integendeel. Het is een akelige plek om te zijn, omdat het ons herinnert aan de brute en gewelddadige manier waarop Niels aan zijn einde is gekomen. Het is ook niet een plek waar Niels een specifieke band mee had, zodat het om die reden fijn is om er heen te gaan. Het is gewoon een ‘random’ plek in de Ardennen, onderdeel van een toevallige route die Niels had bedacht om zijn vriend, een waterpoloër, met wielrennen kennis te laten maken. Voor zover wij weten was Niels hier nog nooit geweest en was er niet een speciale reden om persé langs deze weg te fietsen.
Als we er heen gaan blijven we er ook nooit lang. We verwisselen de planten, geven water, halen het lange gras rond de bak een beetje weg, als het nodig is schilderen we de letters bij en dan gaan we weer. We zien er altijd vreselijk tegenop en hebben al buikpijn zodra we de grens met België over gaan. Waarom doen we het dan? Waarom kwellen we onszelf zo? Als het toch niet zo is dat we verbinding met Niels voelen op die plek?
Vijf jaar later kan ik nog steeds niet goed bevatten dat Niels er niet meer is. Dat hij echt nooit meer thuis komt. Die berm is de enige plek waar het doordringt dat hij echt dood is. Dat is een belangrijke reden om er heen te blijven gaan. Het is vergelijkbaar met dat kneepje in mijn arm, om me ervan te vergewissen dat het niet een nare droom is, maar echt. Er was niets met hem aan de hand, hij was gezond, sterk, gedroeg zich verantwoordelijk in het verkeer (had erop gestaan dat zijn vriend ook voor enkel die ene keer fietsen een helm had aangeschaft) en kwam toch zomaar aan zijn einde. Het is letterlijk tot hier en niet verder. Dat maakt die plek voor ons gedenkwaardig. Dat was misschien anders geweest als hij nog een lang ziekbed had gehad, naar een Nederlands ziekenhuis was verplaatst. Maar hier in de berm stond zijn hart al stil en moest hij worden gereanimeerd. Dat is waarom die plek belangrijk is voor ons. Zijn dood is onlosmakelijk verbonden met deze plek.
De opgeheven vuist waar de auteur van het artikel wat ik aanhaalde het over heeft, herken ik wel. Niels is op deze plek om het leven gekomen door het roekeloze gedrag van een ander. Dat speelt zeker een rol bij de behoefte om deze plek te markeren. Het is onverteerbaar dat een ander schuld heeft aan de dood van ons kind en dat deze persoon tot op heden geen enkel blijk van spijt heeft gegeven. Sterker nog, dat hij in de rechtbank zei zichzelf ook als slachtoffer te zien.
Nog ingewikkelder maakt het dat in de strafzaak en in de civiele zaak het leven van Niels er niet meer toe doet. In de strafzaak draait alles om het leven van de dader. Zijn motieven, zijn omstandigheden, zijn toekomstperspectieven. Dat de ondertoon daarbij altijd is dat de dader er niet op uit was om Niels iets aan te doen helpt ook niet echt. In de civiele zaak is de tegenpartij er alleen maar op uit om de impact van het verlies van Niels op ons leven te bagatelliseren, zodat er zo min mogelijk schade hoeft te worden betaald. Dus ja, in onze wens op de plek in de berm waar die ander Niels heeft aangereden een monument te hebben, speelt onze boosheid en frustratie absoluut een rol.
Zou het helpen als er een gemeenschappelijk standbeeld voor verkeersslachtoffers zou zijn? Dat vind ik een lastige vraag. Zo’n monument zou goed zijn voor de bewustwording, dat er nog steeds veel te veel mensen omkomen in het verkeer. Daar ben ik van overtuigd en daarom zou ik ook graag zoen dat er zoiets kwam. Maar of ik Niels zou herdenken bij zo’n nationaal monument? Dat denk ik eigenlijk niet. Want zo’n monument is er voor alle doden, ook voor degenen die zelf onverantwoordelijk gedrag vertoonden. Ik wil niet dat Niels over één kam geschoren wordt met zulke mensen, hoe triest hun dood verder ook is, voor henzelf en hun nabestaanden.
Voorlopig blijft ons monument dus staan. En vind ik niet dat ik me daarmee schuldig maak aan rouwexhibitionisme. Het is nu eenmaal zo dat Niels op deze plek aan zijn einde kwam, hier en niet ergens anders, onverwacht, plotseling en door toedoen van een ander.
Wat vind jij? Laat het me weten hieronder!
2 reacties
Ik vind dat je helemaal gelijk hebt. Onze 25-jarige dochter is 13 oktober 2024 dodelijk verongelukt op weg naar huis van een avondje uit met haar vriendinnen. Zij trof daar op haar weghelft iemand die 170 reed (je mocht er 80) met drank op, en haar zodoende frontaal aanreed. De Jongen is zelf ook overleden en dat maakt het verhaal anders dan bij jullie. Haar vriendinnen hebben er ook een berm monument gecreëerd. Je ziet dit niet heel goed als je over de gewone weg rijdt, pas als je secundair rijdt zie je de bloemen en de foto’s. Ik ga er zelf wel heen maar niet heel vaak..liever loop ik elke dag met de hond langs het graf.. waar zij samen met haar geliefde vader die in 2011 aan de gevolgen van een hartinfarct is overleden,in 1 graf ligt.
Maar voor haar vrienden en vriendinnen is de plek van het ongeluk dichterbij.
Ik snap je dus volledig en ik vind het verhaal rouwexcibionist raar. Als je iets hebt meegemaakt zul je er mijns inziens nooit zo over denken.
Ik vind dat je helemaal gelijk hebt. Onze 25-jarige dochter is 13 oktober 2024 dodelijk verongelukt op weg naar huis van een avondje uit met haar vriendinnen. Zij trof daar op haar weghelft iemand die 170 reed (je mocht er 80) met drank op, en haar zodoende frontaal aanreed. De Jongen is zelf ook overleden en dat maakt het verhaal anders dan bij jullie. Haar vriendinnen hebben er ook een berm monument gecreëerd. Je ziet dit niet heel goed als je over de gewone weg rijdt, pas als je secundair rijdt zie je de bloemen en de foto’s. Ik ga er zelf wel heen maar niet heel vaak..liever loop ik elke dag met de hond langs het graf.. waar zij samen met haar geliefde vader die in 2011 aan de gevolgen van een hartinfarct is overleden,in 1 graf ligt.
Maar voor haar vrienden en vriendinnen is de plek van het ongeluk dichterbij.
Ik snap je dus volledig en ik vind het verhaal rouwexcibionist raar. Als je iets hebt meegemaakt zul je er mijns inziens nooit zo over denken.