We vieren samen. Waarom rouwen we dan alleen?

We vieren samen. Waarom rouwen we dan alleen?

Het is alweer de laatste dag van juli. Morgen is het augustus. En daarmee naderen met rasse schreden de dagen die zwart omrand op mijn kalender staan. Vijf en zes augustus, de dagen dat Niels zo bruut, zo plotseling om het leven kwam.

Het eerste jaar na de dood van Niels overviel het me hoe zeer ik tegen deze dagen op zag. Alleen al de vraag over de invulling ervan bracht me uit mijn evenwicht. Het ‘wat’, ‘hoe, ‘waar’, en vooral ook het ‘wie’ hield me weken van te voren ’s nachts wakker. Niet omdat ik niet wist wat ik zou willen, maar omdat ik er tegen niemand over durfde te beginnen. Nu is het alweer de vijfde keer dat de sterfdag van Niels voor de deur staat. En weer raak ik uit balans.

Waarom, vraag ik me af. We strooien moeiteloos met uitnodigingen als het om de leuke dingen in het leven gaat, de bruiloften, verjaardagen, jubilea, of zomaar een feestje gewoon omdat het kan. Zonder enige terughoudendheid vragen we wie we maar willen. 

Mensen uitnodigen voor een herdenking, om stil te staan bij de sterfdag van een dierbare? Dat is iets heel anders en helemaal niet zo vanzelfsprekend. Kun je dat wel vragen van anderen, om bij zoiets aanwezig te zijn? Mag je een ander daar wel mee belasten? Moet je dat niet bij jezelf laten? 

Uit angst om mijn verdriet op te dringen, doe ik niets en wacht ik af of iemand er misschien zelf over zal beginnen. Het gevolg? Ik verkeer wekenlang in twijfel en onzekerheid en raak teleurgesteld en geïrriteerd, omdat het lijkt alsof niemand het belangrijk vindt, alsof ik de enige ben die nog om Niels rouwt. 

Zo is het natuurlijk niet. Niels was een broer, een kleinzoon, een neef, een vriend… Hij was zoveel voor zoveel mensen. Natuurlijk wordt hij gemist. Maar wij zijn het niet gewend om ons verdriet uit te spreken. Om elkaar te vragen wat we nodig hebben, om elkaar te bevestigen en te steunen in ons verdriet. 

Ook dit jaar merkte ik weer dat het me raakte, dat de sterfdag van Niels het onderspit lijkt te delven van vakantie, werk en de drukte van alledag. Ik schrok ervan dat het me boos maakte. Het leven gaat nu eenmaal door. Dat snap ik best. En ik geloof oprecht dat er achter het leven van alledag, en die ogenschijnlijke desinteresse, een hoop pijn en verdriet schuil gaat. En misschien willen mensen hun verdriet wel niet aan mij laten zien, omdat ze denken dat het voor mij nog erger is en hun verdriet er niet mag zijn.

We weten het niet van elkaar, omdat we er niet over praten, allemaal stilletjes afwachten, tot de ander er over begint. En dat is het echte pijnlijke, want zo vullen we in voor de ander en bewegen we van elkaar af in plaats van naar elkaar toe. Als we niet oppassen, ontstaat er sluipenderwijs een verwijdering, gaat de dood van Niels en de invulling van dit soort dagen tussen ons in staan en raken we nog meer kwijt dan we al zijn.

Het liefste wat ik wil is dat we elkaar  steunen in ons verdriet. Samen kunnen huilen en samen kunnen lachen. Samen herinneringen op kunnen halen. Zodat we samen dichter bij Niels staan en hem levend houden in ons midden.

Het laatste wat ik wil is dat we invullen voor elkaar, elkaar niet begrijpen en elkaar, daardoor, onbedoeld pijn doen. Daarom ga ik het vanaf nu anders doen, ga ik het gesprek wel aan, over wat ik zou willen en wat goed voelt voor de ander, opdat we niet uit elkaar drijven, maar elkaar vasthouden, elkaar én Niels. 

Als we zijn leven maar blijven vieren, samen, met elkaar, elk jaar weer. Dan is het goed voor mij. En hoe en wanneer? Dat maakt dan eigenlijk niet uit en hoeft niet eens persé op zijn sterfdag. Al blijft dat voor mij natuurlijk altijd een zwarte dag op de kalender en een dag om te herdenken.

Back to blog